Deel VI

Kiki laat me er weer niet langs. Ik wil al dagen schrijven aan deel VI, ik weet waar dit deel over gaat en ik zie er als een berg tegenop. Mijn nachten worden slechter en van de dagen blijft steeds minder over. Dus het moet maar gebeuren, denk ik dan. Ik wil verder, ik wil door, ik wil ervan af. Maar Kiki laat me niet langs die muur. Ze zit er weer op als een poortwachter. Niet met de rug naar me toe dit keer, ik heb geen straf. Maar deze laag is gewoon nog niet aan de beurt, laat ze me weten. Er zit een laagje tussen waar ik eerst nog langs moet. Dus, het andere schuift weer door en dit moet eerst. Die godverdommese grote ui met die eindeloze hoeveelheid laagjes… 

 

En deze doet zeer. Deze wil ik eigenlijk überhaupt niet langs. Kiki pakt mijn hand, dit keer niet om me voor te gaan, maar om achter me te blijven. Zij kan mij niet leiden want deze laag gaat niet over vroeger, maar over nu. Dus ik neem haar mee in plaats van andersom. Ik schud mijn hoofd, ik wil niet, echt niet. Ik hoop dat we hem over mogen slaan. Maar Kiki knikt en duwt me liefdevol naar voren. En dan zie ik ze staan, mijn getuigen, het zijn er inmiddels een heleboel. In een lange haag staan ze daar, links en rechts van een smal pad. Ik kan het einde niet eens zien. Ik durf niet te kijken naar de gezichten, maar Kiki moedigt me aan. Heel voorzichtig zoek ik naar de ogen. De monden zeggen ook wel wat, maar ik heb geleerd daar niet op te vertrouwen. Een glimlach betekent niet altijd dat er iets leuks gebeurt. Maar de ogen, die liegen niet. Ogen liegen nooit. Dus ik zoek de ogen en ik vind eerst die van de mensen die het dichtst bij mij staan. Zij staan vooraan in de haag. Ik zie die van mijn kind, mijn beste vriendin en vriend, mijn moeder, tante, oom en nog een oom. En daar staan ook mijn neefje en nichtje en een grote nicht. Ze kijken bemoedigend, liefdevol en zelfs trots. Ik durf de blikken bijna niet in ontvangst te nemen. Het voelt onwennig en overweldigend tegelijk, om na zoveel jaar al deze oprechte liefde en steun te krijgen. Het maakt me dankbaar en klein en kwetsbaar. En het lift me ook wat op, net die paar centimeters boven de grond, zo licht als een veertje. Kiki is zelfs nog hoger dan ik, als een heliumballon aan een touwtje in mijn hand. 

 

Maar de haag is langer dan alleen deze vertrouwde ogen. Van de andere mensen in de haag kan ik de ogen niet goed zien. Maar ik weet wel wie ze zijn, de getuigen zonder ogen. Het zijn nog meer tantes en ooms en neefjes en nichtjes, het is mijn schoonfamilie en het zijn een aantal vrienden. De monden van deze getuigen zonder ogen zeggen zulke lieve dingen. Ze zeggen hoe erg ze het vinden, hoe ze mee leven en alles willen doen om me te steunen. Ze erkennen mijn pijn, verdriet en eenzaamheid. Mijn familie zegt hoe erg ze het vinden dat ze het niet wisten en niets hebben kunnen doen. Ze staan daar en ze klinken net zo vriendelijk als de getuigen van vooraan, maar ik durf nog niet te vertrouwen op de woorden die ze zeggen. Die paar centimeters lijken ineens wel een halve meter hoog wanneer ik na een vrije val weer op de grond kom. Ik kijk naar Kiki, die ook net naar beneden is gedonderd, maar zij kan me hier ook niet mee helpen. Ze zeggen alle goede dingen. Álle goede dingen. Ik hoor ze, ik zie ze en toch sta ik aan de grond genageld. We zetten geen stap meer. Ik kijk naar mijn voeten en naar de grond eronder. Liever kijk ik nog verder, de aarde in. 

 

De klauw knijpt mijn keel dicht. Stop met schrijven. Stop met vertellen. Stop gewoon! Kijk wat je aanricht. Mijn vader rolt zich naar voren in mijn hoofd. Zie je wat je doet? Als je niets had gezegd, dan was het alleen jouw ramp gebleven. Dan had iedereen gewoon verder kunnen leven. Dan had niemand achterom of terug hoeven kijken. Dan had de ramp nooit de schade aangericht die het nu aanricht. Want wie richt deze schade nu eigenlijk aan? Ja ja ja, je vader heeft jou iets aangedaan tig jaar geleden… nou nou, tut tut, poeh poeh, stel je niet aan, je bent toch geen klein kind meer? Had het gewoon bij jezelf gehouden, dan was jij de enige die ermee moest dealen. Kijk wat voor egoïstisch kind jij bent, dat je een hele familie meetrekt in jouw problemen. Niemand heeft hier wat mee te maken. Niemand zit hierop te wachten, niet op jouw ellende, niet op jouw ramp. Niet op jou. Al die arme ooms en tantes, neefjes en nichtjes, je moeder, je zus. En dan ook nog in al die vieze details. Wat denk jij wel? Wie wil nou lezen over kutjes en piemels, bespottelijk! Er komt van dat boze spuug mee terwijl hij het zegt.

 

Kiki is piepklein geworden. Ze kan niet meer bij mijn hand en houdt zich weer vast aan mijn broekspijp, terwijl ze zich verstopt achter mijn been. 

 

Maar de monden in de haag vertellen mij dat het niet waar is. Ze verheffen hun stem, ze willen dat ik hen hoor. Dit zijn niet hun woorden, roepen ze, maar van de stem in mijn hoofd. Maar hoe luid de monden ook zijn, mijn vader is luider. Ik blijf horen dat ik de last voor mijn familie had kunnen voorkomen door de last in mijn eentje te blijven dragen. De monden willen me overtuigen en dat waardeer ik. Ze zijn duidelijk en ze zijn lief. En ik probeer de monden te beantwoorden door uit te leggen dat ik het verstandelijk wel weet, maar het gevoel zoveel sterker is. Dus ik moet het zien, ik moet hén zien, ik moet mijn familie in de ogen kijken en het voelen om het te kunnen geloven. Ik moet ze letterlijk onder ogen komen, dat is de enige manier. En dan snap ik ineens waarom ik van sommige getuigen de ogen wel zie en van andere getuigen niet. Wie ik gezien heb sinds het delen van het incest, daarvan zie ik de ogen. Bij deze mensen heb ik gevoeld dat Kiki en ik veilig zijn. Dus we spreken af, dat is de enige manier. We gaan ze zien, mijn familie, de getuigen die het al weten. En dat is doodeng. Vertellen over je incest met een scherm ertussen is alsof je je badpak nog aan hebt. Mensen onder ogen komen die weten van je incest, is alsof je in je blootje bij ze aan de tafel zit. En dan is het naakte gevoel nog maar een klein stukje van wat zo doodeng is. Dat ze mijn 'bloot zijn' zullen afkeuren is wel een angst, maar niet wat overheerst. Wat overheerst is dat ze het me kwalijk zullen nemen. Dat is wat mijn vader ondertussen in mijn oor schreeuwt. Ze zullen me kwalijk nemen dat ik daar zonder badpak aan de deur verschijn en boos zijn om wat ik ze aan doe door het incest te delen. 

 

Ze staan al in de deuropening. Van deze vier getuigen zie ik van drie de ogen al een tijdje. Twee werden slachtoffers na mij. De derde getuige is de vader van het gezin en de vierde de moeder. De moeder zie ik voor het eerst weer na vele jaren. Ik zie er als een berg tegenop. Hoe moet ik haar onder ogen komen? Van moeder tot moeder. Schaamte en schuld tuimelen over elkaar heen in mijn hoofd. Want als ik het nou veel eerder had kunnen en durven delen, had ik dan de incest van haar kinderen kunnen voorkomen? Of als ik nou niet zo 100% ervan overtuigd was geweest dat ik de enige was, hadden zij dan niet al veel eerder kunnen beginnen te verwerken? Of als ik nou helemaal niets had verteld, zoals mijn vader van mij eiste en verwachtte, waren zij dan niet veel beter af geweest dan nu? Maar dan, daar in die deuropening, zijn die grote sterke armen waar ik in deel I over schrijf. Ze slaan zich om me heen. Daarna kijkt de moeder van het gezin me aan. En ogen liegen niet. Ik zie het allemaal, in een fractie van een seconde zie ik en voel ik alles. Ik zie pijn en verdriet, voor haar kinderen, voor mij, voor haarzelf en voor anderen. Ik zie gekwetstheid, maar ik zie ook gelijk dat ik daar niet de oorzaak van ben en geen schuld aan heb. Kiki en ik staan in ons blootje, hand in hand en de moeder pakt een hele grote warme deken en slaat deze om ons heen. We durven naar binnen. We zijn veilig. Niet veel later zitten we, onze beide gezinnen, samen aan haar keukentafel. De deken heeft plaatsgemaakt voor kleren en Kiki doet iets voor zichzelf denk ik, in ieder geval buiten mijn zicht. We drinken thee, eten soep, praten, delen en lachen. Het is fijn. Het is vertrouwd. Het is eigen. En het is niet voor het laatst. 

 

"Deze alinea, van de achterkant van een boek, gaat ook over jou," stuurt de vader. "Wij zijn dus niet de enigen die jou een held vinden." En hij stuurt een foto van de tekst waar hij op doelt: 

 

Dit is een boek met levensverhalen van mensen die de moed hebben het zwijgen na seksueel misbruik te doorbreken. Ze schudden hiermee hun - door de dader of door eigen schaamte - opgelegde isolement van zich af en delen hun kwetsbare ervaringen rechtstreeks met de lezer. Zij zijn de harde confrontatie met zichzelf aangegaan op zoek naar taal voor hun intieme ervaringen, die vaak zo gruwelijk zijn dat ze aanvankelijk onzegbaar leken. De verhalen in dit boek tonen dat getraumatiseerde kinderen zich kunnen ontwikkelen tot wijze volwassenen die boven zichzelf zijn uitgestegen. Tot mensen die als kind geen onvoorwaardelijke liefde hebben gekend, maar die als volwassenen deze wel blijken te kunnen geven. Mensen die het slachtofferschap hebben kunnen afleggen en iets onvoorstelbaars hebben gedaan. Zij hebben hun angst en onmacht overwonnen en zich aan hun eigen haren uit het moeras getrokken om hun eigenwaarde te bevechten. Dit maakt hen tot bange helden: de dapperste helden die er bestaan. 

 

Kiki komt direct rechtop zitten, terwijl ze met me meeleest. Ze glundert, springt op en laat zich op de grond vallen. Ze neemt haar lange krullenbos in de hand en trekt zichzelf omhoog, als uit het moeras waar we net over lazen. Ze herkent zich in de tekst. En dat een ander haar daar ook in herkent, is voor haar heel belangrijk. Ze is een held. Zelfs die van de dapperste soort die er bestaat. Kiki gebaart, nog steeds met de bos krullen recht omhoog in haar hand, dat ik naast haar moet zitten om hetzelfde te doen. Ook ik heb mijzelf aan mijn eigen haren uit het moeras getrokken, zegt ze daarmee. En het is waar. Ik ben trots op al die dappere helden uit dat boek die in het jaar dat ik geboren ben, zo lang al geleden, de moed hadden om te schrijven, te vertellen en te delen. En ik durf voorzichtig ook trots te zijn op ons, op Kiki en mijzelf, dat anderen vinden dat wij tot deze helden behoren. De wieltjes onder mijn vaders plank rollen hem verder naar achter in mijn hoofd, terwijl Kiki haar moeras-stukje nog een keer opvoert. 

 

De volgende dag bezoek ik de ogen die bij die van mijn moeder horen. Die van mijn moeder zelf zijn inmiddels helemaal veilig. Na veel eerlijke gesprekken, delen van onze geschiedenis, het samen puzzelen, verdrietige en mooie dingen, maar vooral de openheid, het volledig onszelf zijn, het uiten van onze liefde zonder reserves, zijn we nog nooit zo veilig en vertrouwd bij elkaar geweest als nu. Dus mijn moeders ogen staan al helemaal vooraan in de haag. Maar er horen nog een paar ogen bij haar, deze heb ik al heel lang niet gezien. Op afstand zie ik direct dat die grote sterke armen wagenwijd open staan. Kiki en ik kunnen er zo moeiteloos in verdwijnen. En nu we tussen die armen staan, blijven ze extra lang om ons heen gesloten. Tot we het heel zeker weten; ook hier zijn wij veilig. De getuigen keuren ons niet af en ze zijn ook niet boos. Over een paar dagen gaan we verder langs deze haag en vinden we weer nieuwe ogen om te vertrouwen.

 

Ik durf weer wat op te kijken van de grond. De monden worden luider en ik geloof steeds meer in wat ze zeggen. Ik hoop dat ze geduld hebben en zo lang als nodig blijven staan.

 

☆☆ Voor iedereen bij wie ik veilig genoeg was en zich aangesproken voelt, in het bijzonder mijn bestie en mijn zus: het spijt me dat ik het jou nooit heb kunnen vertellen. Het spijt me dat ik jou hiermee ontnomen heb dat je mij kon helpen of kon redden. Ik weet dat je niets liever had gedaan dan dat en dit je heel verdrietig maakt. Dankjewel dat je mij dit niet kwalijk neemt. ☆☆

 

Wanneer één van de volgende slachtoffers van mijn vader zijn dankbaarheid uit over dat ik het incest bespreekbaar heb gemaakt, durf ik met hem te praten over dit deel, deel VI. Over de interne worsteling van schuldgevoel, alle 'had ik nou maar' of 'had ik nou maar niet'. Hij vertelde mij toen hoe het niet weten zoveel erger en schadelijker is dan het wel weten. Hij legt het uit als dat je blind een Rubiks puzzel moet oplossen. Dat is onmogelijk, je moet toch echt iets kunnen zien voor die opgave (zelfs met zien is zo’n Rubiks Puzzel mij nog nooit gelukt). Ik heb hem gevraagd of hij iets wil schrijven over het niet weten versus het wel weten, zodat ik dat kan gebruiken hier in dit deel van mijn verhaal. Wat hij schreef werd iets zó sterks, dat dit is geworden waar ik naar terug mag grijpen elke keer als mijn vaders stem het lijkt te winnen van die van mijn getuigen. Ik eindig deel VI met wat hij schreef (deze lieve, dappere ziel, waar ik onwijs trots op ben en heel veel van hou): 

 

Elke keer als iemand open is over het seksueel trauma dat zij hebben doorstaan, dragen zij bij aan een groot collectief moed. Iets waar zij die hier nog niet aan toe zijn, of door omstandigheden niet toe in staat zijn, kracht, steun en begrip uit mogen ontlenen.

 

Ik heb mij altijd afgevraagd waarom ik eigenlijk nooit echt aan mijn eigen leven ben verschenen. Waarom ik altijd met één been buiten de wereld heb gestaan. Waar ik al die tijd op heb gewacht. Wat zo diep weggestopt moest worden, wat ik nou precies zo angstig wilde vermijden. 

 

Tot iemand zo dapper was om haar verhaal te doen en daarin ook haar zorg durfde te uiten over mij. Om vervolgens ook op haar aller kwetsbaarst te blijven wachten op een antwoord en de zo gehoopte wederzijdse erkenning. 

 

Het openbaren van het seksuele trauma dat wij hebben doorstaan, voelt vaak alsof je het daarmee een ander aandoet. Omdat het voor de ander leefbaar was totdat ook zij 'betrokken' raakten in het seksueel trauma. In het geval van incest is daar natuurlijk ook een hele familie bij betrokken. Het is goed om te blijven onthouden dat je in het openbaren van dit trauma geen bezit neemt van de gevolgen daarvan. Het is tenslotte niet jouw schuld dat dit gebeurd is, ongeacht hoe diep dat ook in je is ingeprent. 

 

In ons geval is de dader natuurlijk dood waardoor er de splitsing ontstaat tussen het feit dat alle gevoelens die op zoek zijn naar een schuldige zich overal aan vastplakken en het feit dat het ook wel prettig is dat niemand meer rekening hoeft te houden met zijn verhaal/verweer. 

 

Het mag over ons gaan. 

En dat heb jij gedaan. 

En dat heeft zij gedaan.

En dat heb ik gedaan.

En al die mensen voor ons die hier eerlijk over durfden te zijn.

 

Wat nu zichtbaar is, wordt nooit meer onzichtbaar. 

En uitroeptekens, hoe moeilijk ook, zijn altijd lichter dan vraagtekens. 

Bedankt dat je die vraag hebt durven stellen. 

En daarmee die stille verwoesting die mijn leven kende, een stem hebt kunnen geven.

 

Deze afbeelding wordt binnenkort vervangen door een eigen tekening

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb