Mijn onderlijf is bloot, dat van hem ook. Ik lig in bed en daar is hij ook. Er gebeuren dingen die ik niet begrijp. Maar, het zijn slechte dingen, dat weet ik zeker. Soms hoop ik dat het niet waar is. Of dat het alleen een nare droom is. Misschien moet ik mijn moeder vragen of het waar kan zijn.
Ik ben een jaar of 7 denk ik. Zij zit op de bank in de woonkamer, we zijn met ons tweeën. Ik zit voor haar op de grond te spelen. De bank staat tegen de muur. Er staat een kleine televisie tegen de andere muur, die is altijd uit. Daarnaast de telefoon. In de hoek bij de deur naar de gang staat de eettafel met 4 stoelen. En dan is er natuurlijk nog het grote raam naar de achterkamer, waar mijn vaders werkplek is. Daar staat een groot, houten bureau. Erop stapels paperassen. Grappig, ik heb het woord paperassen in mijn hele leven nog nooit gebruikt, het was mijn vaders woord voor een hoop papier. Nu ik over hem schrijf komt dat woord ineens weer terug. En natuurlijk boekenkasten, die hebben we veel in ons huis. De bank waar mijn moeder op zit, zo leerde ik later nadat hij met mij mee op kamers ging, is van een bekende ontwerper. Ze leest een boek. Mijn moeder kon echt verzonken zijn in een boek. Dat lijkt me heerlijk. "Ik zie papa soms bloot, ik ben dan ook bloot en in bed. Kan het waar zijn dat papa dingen met mij doet die slecht zijn?" Zoiets heb ik durven vragen. Mijn moeder kijkt even op van haar boek, haar blik lijkt verstoord. Ze lijkt niet geschrokken, of verdrietig. Ze zegt: "nee." Dat was het. Ik voel me ontdaan door de stelligheid. Er komen helemaal geen vragen. Er is blijkbaar geen enkele ruimte voor de mogelijkheid dat het waar of slecht is. Dus, het is niet waar, of niet slecht. Ik voel me heel schuldig naar mijn vader, omdat ik me dit afvraag. Terwijl hij mijn vader is, dus dat kan helemaal niet. En naar mijn moeder schaam ik me diep, omdat zij nu weet dat ik blote gedachten heb over mezelf en mijn vader. Die gedachten horen niet. Wat zegt dat over mij? Ik voel me een vies kind. Dat het niet alleen gedachten zijn maar in het echt gebeurt, is heel verwarrend allemaal. Maar de schaamte wint. Ik durf er nooit weer wat over te zeggen of te vragen.
44 jaar ben ik als ik het aan mijn moeder durf te vertellen. Kiki en ik zitten aan mijn moeders eettafel tegenover haar. Ik vraag haar wat zij nog weet van de keer dat ik haar vroeg of het waar kon zijn. "Jij had als kind een hele grote fantasie," vertelt mijn moeder. "Je maakte buiten altijd de wildste dingen mee, vooral rondom mannen. Jij zag overal gevaar en avontuur in." Ik voel me piepklein worden. "Wij werden zelfs benaderd door ouders van vriendinnetjes, die vroegen wat er was gebeurd, want die meisjes werden bang van al die spannende verhalen. Maar jij niet, jij kwam heel enthousiast thuis." Ik kijk naar Kiki en Kiki kijkt naar mij. We zijn dat kleine meisje weer, dat niet gezien of serieus genomen werd. "Voor ons was dat in die tijd een heel ding," gaat mijn moeder verder, "hoe we jouw fantasie moesten managen en we probeerden jou te leren dat het belangrijk was om onderscheid te maken tussen wat echt gevaar en wat fantasie was." Ze lacht er vriendelijk bij, ik was voor haar een leuk kind dat voor reuring zorgde.
Kiki is onder de tafel gaan zitten. En ik ben zelf nog niet sterk genoeg om me te verweren tegen het beeld dat anderen van mij hebben, dus blijf ik klein en stil. Voor mijn vader was dit het best mogelijke scenario, ik was tot een meisje gemaakt dat zoveel fantasie had, dat een ander geen onderscheid meer kon maken tussen echt gevaar en mijn zogenaamde verzinsels. Dus als ik al zo dapper zou zijn om iets te zeggen of te vragen, zou niemand mij geloven. En dat wist ik. Zo jong als ik was, dat wist ik. Dit maakt me nog steeds eenzaam. Mijn moeder weet gelukkig ook nog heel goed hoe het niet áltijd fantasie was, waar ik mee thuis kwam. In die paar jaar dat we op deze plaats delict woonden, zijn er ook best wat dingen gebeurd waar getuigen bij waren. Dat ik gefocust was op gevaar door mannen, maakte het gevaar zeker niet een verzinsel. Zo bracht een buurvrouw mij en mijn zus eens thuis uit de speeltuin omdat er een man met een fiets al tijden lang naar ons aan het kijken was en dat vertrouwde ze niet. Een andere keer schrokken een vriendinnetje en ik ons wezenloos toen een potloodventer ons zijn blote lul liet zien. We renden snel naar huis om het te vertellen, maar mijn vader deed alsof die man gewoon stond te pissen tegen een boom en ik de rest erbij verzon. Gelukkig nam mijn moeder ons mee naar het politiebureau en wees ik daar in een hele rij foto’s, precies die van de potloodventer aan. Ik had zijn gezicht goed onthouden. Het was een bekende van de politie, die dit vaker deed op die bewuste plek. En zo zijn er nog een aantal voorbeelden. Het maakt me verdrietig dat ik getuigen nodig heb om geloofd te worden, maar zo werkt de wereld helaas. Ik had helemaal niet zoveel fantasie als kind. Mijn 'avonturen' waren ook helemaal niet iets waar ik enthousiast over was, al kan ik me nog best voorstellen dat adrenaline verward werd met enthousiasme. In werkelijkheid was ik doodsbang voor mannen en voor wat zij mij en mijn vriendinnetjes aan konden doen. Dat ik in veel dingen gevaar zag, klopt als een bus. Het gevaar woonde immers in mijn huis. Ik groeide op met dit gevaar. En gevaar bleek later veel meer te zijn dan alleen mijn vader. Het waren ook jongens van school, collega´s, leidinggevenden, vriendjes en de vrienden van vriendjes. Later zocht ik gevaar soms bewust op, niet per se in de vorm van mannen, maar in werk, activiteiten en reizen. Gevaar voelde comfortabel en ik balanceerde graag op het randje ervan. Als het kwartje dan de verkeerde kant op viel, bevestigde dit mijn wantrouwen en troostte dat me. Maar dit wist ik allemaal nog niet toen ik 7 was.
Mijn vader roept mij, hij staat in de woonkamer met de telefoonhoorn in zijn hand. Mijn zus zit op de bank te lezen en mijn moeder is op hun slaapkamer. "Het is iemand van school," zegt mijn vader, geeft mij de hoorn en gaat aan de andere kant van het raam aan zijn bureau zitten. "Hallo?" vraag ik. "Hallo!" het is een mannenstem die ik niet ken. "Zoals je vader al zei, ben ik van jouw school. Ik ben de schoolarts." "Euh oké," zeg ik. "Zijn je ouders de kamer uit?" vraagt de stem. "Ja," zeg ik. Ik kijk naar mijn zus die, net zoals mijn moeder dat kan, in haar boek verzonken is. Ik vraag me af of ik het hem moet vertellen, dat mijn zus wel bij mij zit. "We gaan een paar testjes doen, je ouders weten ervan," gaat de stem verder. "Het is heel belangrijk dat je precies doet wat ik zeg, begrijp je dat?" "Ja," zeg ik en knik. Ik ken de schoolarts niet, maar hij klinkt streng. "Wat heb je aan?" vraagt de stem. Ik kijk naar beneden. "Een trui en een legging." Het blijft even stil. Ik hoor een klok tikken bij de schoolarts op zijn kamer. "Oké, ga met je vrije hand maar in je broek," zegt de stem. Ik stop mijn hand in mijn legging. "Heb je het gedaan?" vraagt de stem. "Ja," zeg ik. "In je onderbroek?" vraagt de stem. "Nee, natuurlijk niet," zeg ik. Ik vind het een rare vraag. "Je vader wil dat je meewerkt aan deze testjes," zegt de stem dan. Ik denk aan mijn vader die mij de telefoon zelf gegeven heeft en zei dat het iemand van school was. Ik wurm mijn hand in mijn onderbroek. De legging zit strak dus zoveel ruimte is er niet. "Heb je het gedaan?" vraagt de stem. "Ja," zeg ik. Het voelt verkeerd en ik weet eigenlijk niet precies waarom. Ik voel me boos worden vanbinnen, maar ik doe braaf wat de stem zegt. Hij is immers de dokter van school. "Dan moet je nu met je vinger tussen je schaamlippen voelen," zegt de stem. Ik luister naar het tikken van zijn klok en stop zo goed en kwaad als het kan mijn wijsvinger tussen mijn schaamlippen. Ik voel niets. "Wat moet ik voelen dan?" vraag ik. "Je moet opzoek naar een klein, rond balletje," zegt de stem. Een balletje? Ik heb werkelijk geen idee wat hij bedoelt, maar ik zoek. Van voor naar achter en weer terug. "Ik voel niets," zeg ik. Ik ben bang dat ik het verkeerd doe, of dat er iets mis is tussen mijn schaamlippen. "Ik heb dat balletje niet," zeg ik. "Jawel," zegt de stem. "Je hebt helemaal aan het begin van je spleetje een balletje, druk daar maar even op." Ik merk dat ik verdrietig word. Inmiddels duw ik steeds harder met mijn vinger tussen mijn schaamlippen. Ik voel nog steeds geen balletje, nergens. Al dat duwen en prutsen doet me pijn. Het is een pijn die ik herken van mijn vaders gepruts tussen mijn schaamlippen. Zou hij ook dat balletje zoeken? "Ik heb echt geen balletje," zeg ik. "Oké," zegt de stem. "Vertel me dan maar hoe het voelt." "Hoe wat voelt?" vraag ik. "Voelt het lekker?" vraagt de stem. "Nee," zeg ik eerlijk. "Het doet pijn." "Ga nog maar even door en als het goed is wordt het dan een beetje nat," zegt de stem. "Nee," zeg ik. "Het is droog en het doet pijn." Ik ben bang dat er iets niet goed is met mij of mijn vagina. Ik heb geen balletje en er is helemaal niets nat. "Ga maar met je vinger naar je gaatje," zegt de stem dan. Ik word nog verdrietiger, want daar kan ik zo staand in mijn legging en onderbroek helemaal niet goed bij. "Dat lukt niet," zeg ik en kan het verdriet niet goed verbergen. Ik luister weer naar het tikken van zijn klok. "Oké," zegt de stem. "Dan is nu de afspraak dat je mij het telefoonnummer geeft van je beste vriendin en daarna kunnen we ophangen." Ik voel me opgelucht, al deze narigheid is bijna klaar. Ik leg de hoorn naast de telefoon en loop de werkkamer van mijn vader in voor mijn kleine, roze telefoonklappertje. "Ben je nu nog steeds met die man van school aan de telefoon?" vraagt mijn vader. "Ja, maar dat is bijna klaar," zeg ik. Ik geef de man het telefoonnummer van mijn vriendin en kwak de hoorn op de haak. Mijn zus kijkt verbaasd op. Ik voel me boos en verdrietig tegelijk. "Wie wás dat?" vraagt ze. "Een klootzak!" roep ik huilend en ren naar mijn kamer. Ik sla de deur achter me dicht. Mijn moeder komt geschrokken mijn kamer in en even later ook mijn vader. "En jullie wisten dit!" roep ik boos. Het gevaar kwam ineens via de telefoon zo mijn woonkamer in en vond plaats terwijl mijn zus naast me zat. Niets is meer veilig. Nergens is meer veilig.
Toen mijn vader opnam, had de stem gezegd dat hij van school was en ze een grote verrassing voor de ouders organiseerden en het heel belangrijk was dat de ouders de ruimte zouden verlaten. Mijn vader gaf daar gehoor aan. Maar hoe kwam de stem in hemelsnaam aan mijn gegevens? Dat antwoord vond mijn moeder snel. Ik was lid van de Taptoe, destijds een bekend kinderblad en had een oproep gedaan voor dieren ansichtkaartjes. Vroeger waren er geen privacyregels, je stond er gewoon in met je naam, adres en telefoonnummer. Mijn moeder heeft de ouders van alle meisjes uit de oproepjes van deze Taptoe editie benaderd. De stem bleek al deze meisjes gebeld te hebben én hun vriendinnetjes. En zo ook mijn vriendin. Zij had vreselijk gelachen toen de stem haar vroeg om haar hand in haar onderbroek te stoppen en heeft direct weer opgehangen. Ik schaamde me diep dat ik dat niet gedaan had. Waarom deed ik alles wat die man zei, terwijl het blijkbaar voor haar zo makkelijk was om dat niet te doen? Ik voelde me weer een heel vies kindje. Het heeft wel 38 jaar geduurd voor ik snapte waarom ik geen weerstand kon bieden. Voor ik snapte waarom ik geen grenzen kon stellen, laat staan grenzen bewaken. Het heeft 38 jaar geduurd voor ik snapte hoe mijn vader mij elke kans op een gelukkig en gezond leven heeft ontnomen, al voor mijn leven goed en wel begonnen was. En zelfs nu ik het allemaal snap, voel ik nog steeds de schaamte. Kiki kijkt me aan. Ze is gekrompen tot piepklein. Ze trekt me aan mijn broekspijp en ik til haar op. Ik wil me niet schamen. Want het is niet onze schuld, ik fluister het naar haar. Niet onze schuld, zeg ik luider. Niet onze schuld, roep ik hard. Kiki groeit weer. Ik zet haar op de grond en ze pakt mijn hand.
We liggen op bed, Kiki en ik. Maar het is niet onze hand die zoekt naar schaamhaar. Zijn vingers zijn droog, veel dikker dan de mijne en een soort van korrelig. Ze ruiken ergens naar, misschien naar kruiden of eten. Ik weet niet of mijn vader nu juist wel of niet wil dat mijn schaamhaar er al is. En dus ook niet of ik nou moet hopen of vrezen dat ik het krijg. Het maakt me onzeker. Sindsdien ben ik er zelf ook mee bezig en voel ik regelmatig even of het al komt. Na het telefoongesprek met de stem, zoek ik tevergeefs ook naar een balletje. Toen ik later ineens het dons voelde komen, wilde ik gewoon blij zijn met mijn eerste haartjes. Maar ik kon helemaal niet blij zijn. Niet met mijn schaamhaar, niet met mijn vagina, niet met alles eraan en alles eromheen. En dat zou altijd zo blijven.
Kiki stapt er alweer uit, dit keer voor het pijn gaat doen. We zitten weer naast elkaar op de grond, met onze benen opgetrokken en onze rug naar de vulkaan. We kijken naar de knuffels en we tellen de tijd.
Reactie plaatsen
Reacties